Agromyza albipennis

Phalaris arundinacea, 't Twiske

14085

Phalaris arundinacea, 't Twiske

voor- en achterspiracula, dorsaal.

front and rear spiracula, dorsal.

Phalaris arundinacea, Nederhorst den Berg, 't Twiske

15939 14085

Phalaris arundinacea, Nederhorst den Berg, 't Twiske

'kop' en achterspiraculum, lateraal.

'head' and rear spiraculum, lateral.

Phalaris arundinacea, Nederhorst den Berg, 't Twiske

15393 14085

Phalaris arundinacea, Nederhorst den Berg, 't Twiske

mandibels en aanhangsels van de mondrand.

mandibles and appendage of the mouth border.

Phalaris arundinacea, 't Twiske, Nederhorst den Berg

14085 15393

Phalaris arundinacea, 't Twiske, Nederhorst den Berg

De mandibel heeft vier tanden (de onderste twee wat kleiner dan de bovenste). De achterspiracula staan dicht bijeen, raken elkaar. De larve wordt beschreven door Sasakawa (1961a), Griffiths (1963a) en Dempewolf (2001a).

De afbeelding van de mandibel door de Meijere, (1934a: 246) bevat een interpretatiefout: er zijn niet twee alterende 2-tandige mandibels, maar twee niet-alternerende 4-tandige. Deze fout wordt herhaald in zijn tabel in 1943a (Griffiths, 1963a) en in Darvas & Papp (1985a). De Meijere's veergissing is heel begrijpelijk: de situatie is alleen te begrijpen door de mandibels bij sterke vergroting van ventraal te bekijken.

A. albipennis behoort tot de nigripes-groep die door Griffiths (1963a) is onderscheiden, hoofdzakelijk op basis van kenmerken van de volwassen dieren. De larven van deze groep zouden gekenmerkt zijn door de afwezigheid van een bestekeld veldje onmiddellijk achter de mandibels. Dempewolf (2001a) toonde echter met SEM-©'s aan dat althans albipennis wèl zo'n veldje heeft (zij het relatief zwak) en de ©'s laat dat ook zien. Dempewolf vermoedt dat de 'buikig uitgezakte' vorm van de naar voren wijzende arm van het het kopskelet een beter toepasbaar, afgeleid kenmerk is van de nigripes-groep.

The mandible has four teeth (the lowest two somewhat smaller than the upper two). The rear spircula are very close, almost touching each other. The larva is described by Sasakawa (1961a), Griffiths (1963a) and Dempewolf (2001a).

The illustration of the mandible by de Meijere, (1934a: 246) contains an error in interpretation: there are no alternating, two-teethed mandibles, but non-alternating four-teethed ones. This error is repeated in de Meijere's key of 1943 (Griffiths, 1963a) and in Darvas & Papp (1985a). De Meijere's mistake is quite comprehensible: it is only possible to understand the situation by observing the mandibles ventrally, at strong magnifications.

A. albipennis belongs to the nigripes group that was created by Griffiths (1963a), mainly on imaginal characters. The larvae of the group were stated to be recognisable by the absence of a ventral field with small spines, immediately behind the mandibles. Dempewolf (2001a) showed with SEM ©s that, at least in albipennis, such a field indeed is present, albeit weakly developed, as is visible on the ©s above. Dempewolf speculates that the 'paunchy' shape of the anterior arm of the cephalic skeleton might be a better, derived, character to characterise the nigripes group.

modif. 10.x.2007